Een interview van de heer Ton de Jong met de heer Overbosch uit 1986 voor het Noordhollands Dagblad,
geeft duidelijk weer hoe het allemaal begonnen is:
'Op een gegeven moment hebben we thuis de televisie in een andere kamer gezet, een kamer waar het wat
kouder is, en tegen de kinderen gezegd: jongens, je mag twee dagen in de week kijken. In het begin ging
dat nog wel met enige strijd gepaard, maar nu hoor je ze er niet meer over. We hebben de televisie
teruggebracht tot één van de mogelijkheden van wat je op een avond kunt doen. Een spelletje. Met mekaar
vechten. Of: lezen. Het moet ook geen enge situatie worden, dat is ook de bedoeling niet, anders wordt
lezen net zoiets dwingends als televisie, maar we hebben het wel bewust gedaan. Ik denk dat mensen
tegenwoordig toch al wat bewuster met hun tijd omspringen. Ze lijken weer meer bereid hun eigen fantasie
te laten werken. Men raakt een beetje verzadigd van het idee, altijd maar vermaakt te worden. En met een
boek moet je je eigen fantasie laten werken, met je eigen gevoelens aan de gang.'
'Zelf lees ik langzaam, ik lees de regels af. Tussendoor probeer ik het gevoel eruit te halen. Het gaat
me niet zozeer om het verhaal, want alles in de literatuur is al eens eerder gebeurd, eerder beschreven.
Het zit hem in de manier van schrijven. Zeker als je veel gelezen hebt, interesseert dat verhaal je steeds
minder. Hoe Maarten 't Hart voor de zoveelste keer het geloof van zich afschrijft, dat geloof ik wel. Ik
ben ook niet nieuwsgierig naar de afloop van een boek, dat vind ik eigenlijk een tegenvaller. Dan is het
af. Klaar. Daarom lees ik ook geen detectives, die werken naar een plot toe. Het gaat om die paar zinnen
die ertussen zitten. Zoals in de muziek: de stiltes daarin vind ik vaak het mooist. De rustpauzes,
opgebouwde spanning. Ik zoek naar de momenten in een boek, waarin je de schrijver eruit kunt halen. Daarom
lees ik ook zo graag gedichten. Dat zijn al samensmeltingen. Een begrip als liefde, waaraan je duizenden
woorden kunt spenderen, teruggebracht tot één regel.'
'Met de tijdschriften die ik verkoop, kan ik deze kast met poëzie financieren. Geen boekhandelaar die dat
verantwoord vindt: zeven planken vol, dat is toch snel 15.000 gulden wat daar staat. Maar dat is voor mij
niet het belangrijkste. Ik wilde gewoon een boekhandel beginnen waar je terechtkon voor echte literatuur.
Hoorn was op dat punt een witte vlek. En ik wilde zo graag dat stukje gevoel verkopen, het gevoel van het
boek. Je publiek iets aanbevelen, omdat je er zelf zo'n fijn gevoel bij hebt gehad. Ik doe dus vooral zaken
met literaire uitgevers, daar heb ik alle fondsen van. Ze zien me ook als dépot-houder, dus met hun
complete fondsen heb ik ook het niet-courante werk hier. En het gekke is dat ook die boeken lopen, dat
daar ook een omzet in te halen valt.'
'Hier komt vooral de kern van de èchte lezer. Die leest zelf Vrij Nederland, de HP, die weet zelf wel wat
hij wil hebben. Bij mensen die een cadeautje zoeken probeer ik desgevraagd iets voor ze te vinden. Als ze
per ongeluk een boek uitzoeken waar ik persoonlijk niet achter sta, dan zeg ik ze dat ook. Ik kan me
veroorloven om te zeggen: dat moet je niet doen. Dat betekent inderdaad dat een boek hier in principe eeuwig
op de planken kan staan. Maar dan komt er 's zomers wel weer een toerist die het meeneemt. En juist omdat
er zoveel verschillende dingen op die planken staan, geeft dat wel eens een beetje een machtig gevoel. Wanneer
je weet dat een uitgeverij een bepaald boek niet meer zal herdrukken of wanneer er nog een eerste druk
tussen zit. Verdomme, daar is er dan nog maar ééntje van, denk je dan wel eens. Natuurlijk verkoop ik
het uiteindelijk, daar ben ik toch wel weer handelaar genoeg voor, maar ik heb daar dan best moeite mee.
Het zijn niet allemaal boeken voor me, begrijp je? Dat gevoel heb ik tenminste.'
|